Naar hoofdinhoud

Geen enkel kind hoort jarenlang thuis te zitten: hoe Amsterdam onderwijs en zorg samenbrengt

In Amsterdam groeit een groep kinderen op die jarenlang moet wachten op een passende plek in onderwijs of zorg. Sommige kinderen staan drie tot vijf jaar op een wachtlijst. In die periode zitten ze thuis, missen ze ontwikkelingskansen en raken gezinnen steeds verder geïsoleerd. Esther van den Broeke, projectleider Kansrijk Vervolg op een kansrijke start in Amsterdam, besloot dat anders te doen. Haar aanpak laat zien wat mogelijk is als je het oude denken durft los te laten en gewoon begint.

  • Inspiratie

Deel deze pagina:

Van wachtlijst naar leerrecht

In Amsterdam verviervoudigde het aantal jonge kinderen dat thuiszat tussen hun tweede en zesde levensjaar. Het gaat om kinderen met een grote ondersteuningsbehoefte die niet terechtkunnen in het reguliere onderwijs en op de wachtlijst staan voor het speciaal onderwijs of een kinderdagcentrum. Die wachttijd loopt op tot drie tot vijf jaar. Een kind van vier jaar zou daarmee pas op zijn achtste of negende jaar een plek krijgen.

Drie jaar geleden besloot Amsterdam gebruik te maken van de experimenteerregeling onderwijszorgarrangementen en onderwijszorggroepen te ontwikkelen. Het uitgangspunt was radicaal anders dan wat het systeem gewend was: elk kind heeft leerrecht, ongeacht een vrijstelling of ondersteuningsbehoefte. Met onderwijs, zorg, gemeente, kinderopvang en verwijzers aan tafel werd afgesproken: we gaan ervoor zorgen dat deze kinderen zich kunnen ontwikkelen.

Dat zijn kinderen die vaak een grote ontwikkelingsachterstand hebben, die dus niet naar het onderwijs zouden kunnen. Maar dat is nog het hele oude denken.

Esther van den Broeke

Meer dan alleen onderwijs

De onderwijszorggroepen bestaan uit kleine groepen van maximaal acht kinderen. Een onderwijsprofessional en een zorgprofessional begeleiden samen de groep. Die combinatie is essentieel: zorg alleen is goed in ondersteunen, maar ontwikkeling vraagt ook de blik van onderwijs. De diversiteit in de groepen is groot: sommige kinderen laten externaliserend gedrag zien maar kunnen al bijna lezen. Anderen praten nog nauwelijks en kunnen slecht tegen prikkels. Dat vraagt een grote rugzak van de professionals op de groep.

Hoe zorg je ervoor dat een kind dat al bijna kan lezen en schrijven naast een kind zit dat nog niet eens praat? En hoe zorg je ervoor dat ze toch allebei aanbod krijgen waarbij ze zich kunnen ontwikkelen?

De groepen bevinden zich bewust in reguliere scholen, binnen dertig minuten loopafstand van de woonplek van het kind. Esther begon met directeuren die al sterk geloofden in inclusie. Die keuze bleek cruciaal. Kinderen doen mee aan schoolbrede activiteiten, spelen als het kan samen op het plein en sluiten soms aan bij lessen van reguliere kleutergroepen.

Het mooie is dat deze kinderen vaak helemaal niet zo anders zijn dan mensen denken. Ze horen er gewoon bij.

Achter de wachtlijsten zitten gezinnen

Het gaat niet alleen om de kinderen zelf. Veel gezinnen kampen met meerdere uitdagingen tegelijk: isolement, weinig netwerk, financiële problemen, eigen trauma. Dat maakt opvoeden zwaar, zeker als je kind ingewikkeld gedrag laat zien en je daar als ouder weinig raad mee weet. De lange wachtlijsten vergroten die druk. Ouders stoppen met werken omdat ze dag en nacht voor hun kind zorgen. Ze kunnen niet even boodschappen doen, niet naar een verjaardag, niet vragen of de buurvrouw even op het kind past.

Je kan niet eens boodschappen doen met dit kind. Je kan deze kinderen ook niet even kwijt, dat wij wel gewend zijn met onze kinderen, dat je even zegt: ik trek het echt niet meer, buurvrouw kan jij even op mijn kind passen? Dat kan niet.

Een stap terug om verder te komen

Daarom richten de onderwijszorggroepen zich ook op ouders. Dat ging niet vanzelf. Eerst werd geprobeerd ouder-kind activiteiten te organiseren, zodat ouders met hun kind konden leren spelen. Maar die stap bleek te groot: ouders waren te uitgeput, hadden nog andere kinderen thuis en kwamen niet. Esther deed een stap terug.

Nu worden koffiemomenten georganiseerd terwijl het kind op de groep zit. Handen vrij, vertrouwde omgeving, laagdrempelig. Er zijn droombordsessies, gezamenlijke ontbijtjes, themabijeenkomsten over onderwerpen waar ouders tegenaan lopen. Dat werkt: ouders leren elkaar kennen, maken appgroepen en gaan samen naar de speeltuin.

Ouders leren elkaar kennen, bouwen een netwerk op en gaan elkaar helpen. Eén moeder die de straat niet op durfde, werd door andere ouders aangeboden om samen naar de speeltuin te gaan. Dat is ontzettend waardevol.

Pionieren zonder draaiboek

Hoewel het initiatief inmiddels groeit, verloopt niet alles vanzelf. Onderwijs en zorg werken met verschillende systemen, regels en financieringsstromen. Ze spreken niet dezelfde taal: sta je voor een groep of voor de klas? Werk je met leerlingen of met cliënten? Er is nog geen incidentprotocol en geen gedeeld verantwoordelijkheidskader. Vragen als "wat verstaan we precies onder onderwijs?" en "kunnen alle kinderen in deze setting deelnemen?" zijn onderwerp van voortdurende gesprekken.

We zijn echt aan het pionieren. We hebben niet overal kaders voor. Soms schuurt het daarom.

Maar juist in die zoektocht zit de kracht. Om de maand komen alle medewerkers bijeen om van elkaar te leren. Directeuren bespreken wat ze onder onderwijs verstaan en hoe ze dezelfde visie blijven uitstralen. Elke nieuwe groep wordt beter neergezet dan de vorige. Er is ook een stuurgroep die daadkracht inbrengt: deadlines worden gesteld en gehaald. Dat samenspel van leren en doorpakken maakt de beweging robuust.

Groei door enthousiasme

Inmiddels telt Amsterdam veertien onderwijszorggroepen en hebben er rond de tachtig kinderen een plek gekregen. Na de zomer komen er nog meer groepen bij. Opvallend is dat scholen zich steeds vaker zelf melden.

Ook professionals blijken enthousiast. Je krijgt de ruimte om mee te bouwen aan iets nieuws, je eigen groep in te richten en te onderzoeken wat werkt. Dat trekt mensen aan, ook al is het pionieren soms zwaar. Tegelijk zijn er ook mensen uitgevallen die de onzekerheid te groot vonden. Dat is een les op zichzelf: goed vertellen wat mensen kunnen verwachten als ze instappen.

De grootste les: gewoon beginnen

Terugkijkend noemt Esther één succesfactor die boven alles uitstijgt.

Als we alles van tevoren hadden willen uitdenken, waren we nooit gestart. We zijn gewoon begonnen.

Niet met een uitgebreid projectplan of handboek. Wel met één gezamenlijke visiebrief en het vertrouwen dat je al doende leert. Die aanpak leverde beweging op die nu zichtbaar resultaat heeft. Zoals het jongetje dat iedere dag kwam kijken hoe het met zijn jongere broer ging, die ook een plek kreeg op dezelfde school. In het begin controleerde hij of alles goed ging. Nu neemt hij zijn vriendjes mee om vol trots te laten zien dat zijn broertje hier ook mag zijn.

Elk kind verdient de kans om zich te ontwikkelen in de buurt waar het woont. Dat is uiteindelijk waar we het voor doen.

Waar zit de hefboom?

Systemen, zoals de jeugdzorg, blijven vaak hangen in dezelfde patronen. Ook als iedereen het beter wil doen. De Amerikaanse wetenschapper Donella Meadows ontdekte dat je in zo'n systeem op verschillende plekken kunt ingrijpen en dat niet elke plek evenveel effect heeft. Een tarief aanpassen of een extra plek regelen werkt snel, maar het effect is meestal klein en tijdelijk. Het doel van een systeem veranderen, of de aanname die eronder ligt bijstellen, kost veel meer tijd en moeite, maar de verandering die je dan te pakken hebt is groter en houdt langer stand. Dit verhaal laat zien op welke van die plekken, deze hefboompunten, echt beweging is gemaakt.

De kracht van dit verhaal zit in het feit dat Esther consequent op de hoogste hefbomen inzet. Ze begint voorbij het paradigma: kinderen worden beoordeeld op wat ze kunnen worden in plaats van wat ze níet kunnen. Dat vertaalt zich in een enkelvoudig doel: elk kind in zijn eigen wijk naar een reguliere school. Zelfontwikkeling is ingebouwd via leerbijeenkomsten en de informatiestromen zijn hier ondersteunend aan. De versterkende feedbackloops worden bewust ingezet: enthousiaste directeuren trekken andere directeuren mee, ouders die elkaar leren kennen gaan elkaar helpen.

Wat dit verhaal ook laat zien is dat pionieren kwetsbaar is zonder stevige buffers. De bekostiging loopt achter, er zijn geen middelen voor logopedie of traumaondersteuning en de regels van onderwijs en zorg zijn niet op elkaar afgestemd. De menselijke buffer van ouders is de hoopvolle uitzondering: daar is bewust en methodisch aan gewerkt, met zichtbaar resultaat. Maar structurele borging vraagt om beleidsmakers bij OCW en VWS die bereid zijn de spelregels mee te laten veranderen.

Tips

  1. 01

    Begin met een gezamenlijke visie

    Begin met een gezamenlijke visie, niet met een projectplan. Eén visiebrief is al genoeg om te starten.

  2. 02

    Zoek directeuren met lef

    Zoek directeuren met lef en geloof in inclusie. Enthousiasme is besmettelijk en trekt anderen mee.

  3. 03

    Organiseer leren als onderdeel van het werk

    Leerbijeenkomsten en directeuren-sessies zijn geen luxe, maar het fundament van groei.

  4. 04

    Doe een stap terug als iets niet werkt

    Van ouder-kind dagdelen naar koffiemomenten is geen mislukking, het is ontwerpen op basis van wat je ziet.

  5. 05

    Wees eerlijk over verwachtingen

    Vertel eerlijk wat mensen kunnen verwachten als ze instappen. Pionieren trekt mensen aan, maar vraagt ook iets van ze.

  6. 06

    Verwacht wrijving tussen onderwijs en zorg

    Onderwijs en zorg hebben ieder een andere taal, andere systemen en andere logica's. Dat schuurt, maar het is ook de plek waar het nieuwe ontstaat.

Deel jouw inspirerende praktijk

Dit artikel is onderdeel van een reeks waarin we laten zien hoe gemeenten, regio's en professionals in de praktijk vormgeven aan de transformatie van de jeugdzorg. Verandering begint bij voorbeelden, niet bij beleidsnota's. Overal in het land zijn plekken waar de beweging naar voren al lukt, en plekken waar het schuurt.

Daarom voeren we hefboomgesprekken met goede en minder goede voorbeelden. Die gesprekken leveren geen rapport op, maar patronen: wat maakt dat het ergens wel lukt, en wat zit er in de weg? Door voorbeelden zoals dit te ontleden aan de hand van hefboompunten, plekken in een systeem waar verandering mogelijk is, wordt zichtbaar waar de kracht van een aanpak zit en waar de kwetsbaarheden liggen.

Dat helpt anderen om niet blind te kopiëren, maar gericht te leren. Heb jij zelf een voorbeeld, goed of juist minder goed, waar anderen van kunnen leren? We gaan graag met je in gesprek om te kijken wat daarin de hefboompunten zijn. Zo verbinden we koplopers in de jeugdzorg met elkaar en met iedereen die net zo hard op zoek is naar wat werkt. Mail naar communicatieozj@vng.nl.

Krijg ondersteuning van een regioadviseur

Wil je hulp bij het inrichten van het sociaal domein? Of beter leren samenwerken? Onze regioadviseurs staan voor je klaar. Met een berg praktijkkennis kunnen ze goed inschatten wat werkt, wat je hulpvraag ook is.